Geschiedenis

Geschiedenis 2017-10-11T09:37:16+00:00

Geschiedenis van Harmelen

Tijdens het Pleistoceen, dat ongeveer 2 miljoen jaar geleden begon, is in Nederland zand en grint afgezet. Circa 10.000 jaar geleden begon het Holoceen tijdperk en werd ons land geleidelijk een bosgebied. De plantenresten hoopten zich op en vormden een dikke laag veen.

Het landschap rond Harmelen heeft in de laatste 6000 jaren zijn vorm gekregen door de voortdurende wijziging van de loop van de Rijn en diverse andere kleine waterstromen.

Ten westen van de stad Utrecht gaat het rivierenlandschap over in een veengebied, dat wordt doorsneden door de stroomgordels van de Rijn en de zijrivieren. Achter de oeverwallen ligt een overgangsgebied met strookvormige zand- en kleizones. De huidige loop van de rivieren dateert uit de Middeleeuwen, toen deze werden vastgelegd door bedijking. Voor die tijd verplaatste de loop van het water zich nogal eens, waardoor een stelsel van stroomruggen in de vorm van zandafzettingen en komgronden met klei en veen is ontstaan.

de stroomstelsels verplaatsten zich

Globaal komt het ingewikkelde verhaal van de verplaatsende stroomstelsels op het volgende neer: vanaf ongeveer zesduizend jaar geleden heeft de loop van de Rijn zich stapsgewijs naar het noorden verplaatst. Het was geen éénduidige stroom, maar bestond uit verschillende riviertakken die zich in de loop van de tijd verplaatsten en die verschilden in belangrijkheid.

In de Rijndelta ten westen van Utrecht zijn het Linschotense en het Utrechtse stroomstelsel van belang. Het Utrechtse stroomstelsel werd dominant toen de Rijn door het veengebied brak en bij Katwijk in de Noordzee uitkwam. De hoofdstroom liep met grote bochten langs Alendorp en Vleuten naar Harmelen. Een nevenstroom, de Heldammer stroomrug, ontstond omstreeks 1200 voor Chr. en volgde vanaf De Meern een kortere route naar Harmelen. Deze smalle Rijntak, die door de Romeinen als noordgrens werd benut, moet als restgeul tot de vroege Middeleeuwen hebben bestaan. Omsloten door Rijntakken ontstond zo een kleiig gebied, de Harmelerwaard.

De Oude Rijn was ook in de Karolingische Tijd een belangrijke internationale handelsroute van Utrecht en Dorestad naar Katwijk. In de zevende en achtste eeuw was Harmelen een militaire verzamelplaats, als onderdeel van de Frankische verdedigingslinie tegen de Friezen.

De oudste schriftelijke vermelding van Harmelen dateert uit 1202; het wordt dan “Hermale” genoemd, maar de eerste bewoning dateert waarschijnlijk uit de midden-bronstijd, zo tussen 1800 en 1100 voor Chr.. Harmelen ligt op de splitsing van de Oude Rijn en de Bijleveld, die ook het grondgebied van Harmelen voor een groot gedeelte hebben gevormd. Zij vormden de stroomruggen waarop de bewoning, alsmede agrarische aktiviteiten als veeteelt en fruitteelt zich voornamelijk concentreerden.

Vanaf de 15e eeuw zijn grote delen van de stroomrug langs de Oude Rijn afgegraven voor kleiwinning voor de baksteen- en dakpannen industrie. De “onlanden” die hierdoor ontstonden lagen 2 á 3 meter lager en waren daardoor niet meer geschikt voor agrarisch gebruik (fruitteelt en akkerbouw). In deze gebieden ontstonden bossen. Bemaling in de vorige eeuw zorgde voor een daling van de grondwaterstand, die de onlanden wel weer voor veeteelt geschikt maakte. Deze onlanden zijn nog te herkennen aan de brede vletsloten.

Verder van de Oude Rijn af ligt de overgang naar de komgronden, de vlakke open gebieden die de laagste delen van het landschap vormen. Ten gevolge van vroegere overstromingen hebben zich dikke kleilagen in de kommen afgezet.

de ontginningen

Harmelen bestond niet alleen uit het kerkdorp Harmelen, gelegen langs de Oude Rijn, maar ook uit een aantal bestuurseenheden en gerechten in de omgeving, zoals de Harmeler-waard, Gerverscop, Reijerscop en Indijk. Deze gebieden waren, net als andere dorpen in de regio, in de 11e tot en met de 13e eeuw ontgonnen.

De Utrechtse bisschop Willem I (bisschop van 1054 tot 1076) nam het initiatief voor deze ontginning. Uitgangspunt van deze ontginningen waren de oeverwallen van de Oude Rijn, de Leidsche Rijn, de Hollandse IJssel, de Kromwijker-wetering-Haardijk, de Lange Linschoten en de Linschoter stroomrug.
Deze ontginning vond plaats in kavels van ca 1.250 meter diep ( in middel-eeuwse termen: een zes-voorling) en meestal ca 115 meter breed, de z.g. “hoeven” of “copen”. Alleen in de polder Breudijk is deze maatvoering niet strikt toegepast, er is hier sprake van een onregelmatige cope ontginning. Deze copen werden aan de ontginners in een soort pacht uitgegeven door de bisschop van Utrecht.

Als er geen bestaande waterloop aanwezig was, werd eerst een wetering gegraven. Zo ontstonden de Reijerscopse wetering en de Oude wetering, waarbij de Reijerscopse wetering de achtergrens was van de ontginning van Bijleveld en tevens de ontginningsbasis vormde voor de polder Reijerscop. Daarna werden haaks op de weteringen afwaterings-sloten gegraven, die de copen van elkaar scheidden. Langs de ontginningsassen concentreerde zich de bebouwing in een enkel of dubbel lint en ontstonden de historische kernen in dit gebied. In de eerste helft van de 12e eeuw werd Harmelen een kerkdorp.

De copen vormden gezamenlijk de polders, die later ook bestuurlijke eenheden werden. In veel namen van polders in en rond Harmelen is de oorsprong als cope-gebied te herkennen.
Waterstaatkundig viel Harmelen in twee delen uiteen: de polders Gerverscop, Breudijk, Oudeland en Haanwijk vielen onder het Groot Waterschap van Woerden, terwijl Harmelen (Bijleveld), Harmelerwaard en Reijerscop onderdeel uitmaakten van waterschap Bijleveld. De Haanwijkersluis in de Oude Rijn markeerde de grens tussen beide afwateringsgebieden.

De geestelijkheid en de adel kregen steeds meer invloed en gingen een rol spelen in het ontginningsproces. Zo werden er uithoven gesticht als administratief centrum voor de ontginningen. De Harmelense kerk kreeg in 1288 banden met de Johannieterorde, die er een boerderij bouwde: de “Kloosterhoeve” herinnert hier nog aan. Aan de Reijerscopse Wetering stichtten de Johannieters een uithof, waar nu nog een merkwaardige bocht in de wetering is te zien.

De huidige dorpskerk dateert uit de late Middeleeuwen, na een grote brand in 1900 is hij grotendeels opnieuw opgetrokken. Na de Reformatie kerkten de rooms-katholieken veelal in Vleuten, totdat Harmelen in 1795 weer een eigen katholieke kerk kreeg.

Heren van Harmelen

Ook de lokale en regionale heren klommen op de sociale ladder. Om hun status te bekrachtigen bouwden zij verdedigbare woontorens binnen een omgrachting.
Zo lag buiten het dorp de oude ridderhofstad Huize Harmelen. De kasteelheer had als heer van Harmelen en als grootgrondbezitter veel invloed. De heren van Harmelen in de 19e en begin 20e eeuw, waren leden uit de families Van Beusechem en De Joncheere. De laatste Harmelense De Joncheere, Adriaan, overleed in 1913, waarna het landgoed werd opgesplitst. De duiventoren, een klein maar bekend monumentje, is een van de restanten ervan. Het natuurgebied Het Vijverbosch, ontstaan ten gevolge van de zand- en kleiwinning ten behoeve van de Woerdense steenbakkerijen, was onderdeel van het jachtterrein van het kasteel.

Harmelen kende tot het begin van de 19e eeuw nog een tweede kasteel, Batestein. Mede doordat de kasteelheren van Batestein geen heerlijkheden in Harmelen bezaten, drukten zij minder een stempel op de plaatselijke geschiedenis dan de eigenaren van Huize Harmelen.

Die heerlijkheden bestonden veelal uit “gerechten”, gebieden waar de heer de lagere of soms ook de hogere rechtspraak kon uitvoeren. In de Franse tijd vervielen deze heerlijke rechten, maar het “gerecht” als bestuurlijk gebied bleef nog enige tijd gehandhaafd. Zo kenden wij de gerechten Haanwijk, Harmelen-Bijleveld en Harmelerwaard, die begin 19e eeuw, tezamen met Harmelen de gemeente Harmelen vormden. De gerechten Gerverscop, Breudijk, Gerverscop Staten en Gerverscop Uit den Ham vormden samen de gemeente Gerverscop. Deze gerechten waren op 1 januari 1842 eigendom geworden van de burgemeesters en wethouders van Delft.

de gemeente Harmelen

Het dorp Harmelen telde in het begin van de 19e eeuw 459 inwoners, Harmelerwaard 55, Veldhuyzen 131, Reijerscop 109, Indijk 424 en Breudijk 113. Indijk lag oorspronkelijk in de provincie Zuid Holland maar werd in 1820 toegevoegd aan de provincie Utrecht. Door deze grenswijziging kwam Indijk bij de gemeente Harmelen.

In 1844 telde de gemeente Harmelen 169 huizen, bewoond door 258 huishoudens. Het aantal inwoners bedroeg toen 1200, waarvan er 500 hervormd waren en 700 als katholiek te boek stonden. Gerverscop telde 23 huizen met 160 inwoners die verdeeld waren over 25 huishoudens.
In 1857 werden de gemeenten Harmelen en Gerverscop samengevoegd tot de gemeente Harmelen. In 1954 werd de gemeente Veldhuizen opgeheven en werd een gedeelte daarvan bij Harmelen gevoegd.

Vanouds was Harmelen een agrarische gemeente. Naast de veeteelt komt er vanaf het begin van de 20e eeuw ook tuinbouw voor, met name in Oudeland en de Harmelerwaard. Na 1950 groeide Harmelen uit tot een bescheiden forensengemeente. In de jaren ’70 van de 20e eeuw werden in de dorpskom veel panden gesloopt met het oog op een betere doorstroming van het verkeer. Landelijk geniet Harmelen bekendheid vanwege de treinramp van 1962, nabij het buurtschap De Putcop, waarbij een groot aantal mensen overleed of gewond raakte.

De gemeente Harmelen verloor in 2001 haar zelfstandigheid en ging in het kader van een gemeentelijke herindeling op in de gemeente Woerden.

de Oude Rijn en de Leidsche Rijn

Het stroomgebied van de Rijn, tussen Utrecht en Harmelen, bestaat uit twee delen: de Leidsche Rijn en de Oude Rijn.
Het deel van de Rijn langs de Utrechtsestraatweg wordt aangeduid met Leidsche Rijn. De Leidsche Rijn is tussen 800 en 1000 na Chr. verzand en vrijwel onbevaarbaar geworden.
In de 14e eeuw, waarschijnlijk zelfs al vóór 1348, is de Leidsche Rijn uitgegraven en gekanaliseerd, waardoor deze zijn huidige vorm heeft gekregen. Op de “Nieuwe kaart van den lande van Utrecht” die in 1696 bij Nicolaas Visscher in Amsterdam verscheen, wordt de Leidsche Rijn dan ook aangeduid als “Leidsche Vaart”. In 1663 is het jaagpad langs de Leidsche Rijn aangelegd. Dit jaagpad heet nu de Harmelerwaard. De huidige Utrechtse-straatweg werd in 1828 bestraat.
De Oude Rijn liep ten noorden van de Leidsche Rijn van Utrecht via Alendorp en Vleuten, langs kasteel Den Ham, om vervolgens via de loop van de Bijleveld weer in de Leidsche Rijn te komen. Vandaar vervolgt ze haar weg wederom als Oude Rijn, tot aan Katwijk toe. Aan de loop van de Leidsche Rijn en de Oude Rijn ontleent de Harmelerwaard zijn naam: een waard is een door rivieren omgeven stuk land.
In de Harmelerwaard zijn archeologische vondsten gedaan in de vorm van gebruiksvoor-werpen uit de IJzertijd, de Romeinse tijd en uit de Middeleeuwen, waardoor mag worden aangenomen dat de Harmelerwaard de laatste 2500 jaar bewoond is geweest. Een duidelijk beeld van deze vroege bewoning is er niet. Veel vindplaatsen zijn onvolledig en verstoord, omdat grote delen zijn afgegraven voor de steen- en pannenbakkerijen.

de Limesweg

De huidige Leidsche Rijn en de Oude Rijn vanaf Harmelen naar het westen toe waren onderdeel van de noord-grens van het Romeinse Rijk. Langs deze rivieren bouwden de Romeinen hun grens-versterkingen, de Limes. Soms waren dit wachttorens, zoals er één in 1999 aan de noordzijde van de Leidsche Rijn tussen De Meern en Harmelen is aangetroffen, maar ook bouwden de Romeinen castella, zoals Trajectum in Utrecht, Fletiomare in De Meern, Laurium in Woerden en Nigrum Pullum in Zwammerdam. Langs de Limes liep ook een weg die de castella en wachttorens met elkaar verbond. Hierover verplaatsten zich de Romeinse troepen. Keizer Hadrianus ( keizer van 117 tot 138 na Chr.) gaf opdracht de door zijn voorganger aangelegde weg te verbeteren. De weg werd nu 4,50 meter breed, zodat twee wagens elkaar konden passeren. Op de “Cultuurhistorische Atlas” van de provincie Utrecht staat deze Limesweg ingetekend. Het tracé van deze oude Romeinse weg is onder het maaiveld nog deels herkenbaar, zoals bleek bij de opgravingen in 1998 in Veldhuizen. Ook de Oude Rijn langs de polder Haanwijk maakte waarschijnlijk deel uit van de Limes, tussen 50 en 400 na Chr..
Het eikenhout dat voor deze weg werd gebruikt, moest per schip worden aangevoerd van uit de Eifel. Nabij De Meern werd in een voormalige Rijnbocht nog een restant van een voormalige losplaats opgegraven: een relatief eenvoudig plateau van eiken planken achter een rij van ca 5,50 meter lange eiken balken. Langs de Rijn zullen meerder van deze losplaatsen in gebruik zijn geweest.
Restanten van Romeinse (vracht-)schepen zijn op diverse plaatsen aangetroffen. Voor het eerst wordt in 1576 melding gemaakt van een schip dat is gevonden in de stadswallen van Woerden. In 1999 is in De Meern een schip blootgelegd en in Woerden staat de teller van de gevonden schepen inmiddels op 7 !

het gebied rond de Leidsche Rijn

De Leidsche Rijn vormde bij de cope-ontginning van Bijleveld en Veldhuizen de ontginningsbasis voor deze blokken. De Reijerscopse wetering vormde de achtergrens, maar was tevens weer de ontginningsbasis voor het cope-gebied Reijerscop. De afwatering van zowel het ontginningsblok Bijleveld als van het blok Veldhuizen vond plaats via noord-zuid lopende wateringen, de Hellevliet, de Molenvliet, de Kerkwetering (naast de huidige Kerkweg) en de Wipmolenvliet ( ook wel Dammolenvliet genoemd). Deze vier weteringen, waren onderling met elkaar verbonden door de Middelwetering, die verspringend van vliet naar vliet, parallel liep aan de Leidsche Rijn.
Al in 1226 werd een verdrag getekend waarbij de afwatering van het Land van Woerden via Rijnland werd geregeld. In 1322 maakte graaf Willem III van het Land van Woerden één Hollands hoogheemraadschap en stelde hij de baljuw van Woerden aan als dijkgraaf. Deze werd bijgestaan door 5 heemraden: drie uit de parochies van Harmelen, Zegveld en Kamerik en twee uit de parochies van Woerden en Bodegraven.
Toen in 1366 de polders van Harmelen en Bijleveld uit het Grootwaterschap Woerden waren getreden, mochten zij niet meer op de Oude Rijn afwateren. Daarom werd in de Leidsche Rijn een dam gelegd, die er voor zorgde dat het water uit de genoemde wateringen via de Heycoop naar de Vecht werd afgevoerd. Deze dam heette de Heldam.
De Molenvliet is een molenwetering, die het water naar de Middelmolen en later naar het gemaal De Adriaan leidde.De Middelmolen ( ook wel Middelste Molen genoemd) was een achtkantige molen die zeker van 1755 tot 1873 op deze plaats heeft gestaan. Diens voorganger uit 1609 heeft waarschijnlijk op dezelfde plaats gestaan. In 1873 werd op deze plaats het stoomgemaal De Adriaan gebouwd, die in 1926 door een elektrisch gemaal is vervangen.
De Molenvliet is tevens het begin van de waterloop de Bijleveld. De Bijleveld was vroeger bevaarbaar, blijkens de schutsluis die bij de Adriaan lag en die rond 1960 nog functioneerde. Resten van de sluis liggen hier nog in de grond.
De Hellevliet die de ontginningsblokken Bijleveld en Veldhuizen van elkaar scheidde, bracht het water naar de Helmolen, die tot 1755 functioneerde.

De Leidsche Rijn vervolgt onder de Molenbrug door, haar tocht door Harmelen.
Direkt naast de Molenbrug stond de korenmolen van Harmelen. De eigenaar van de molen, in dit geval de Staten van Utrecht, hadden niet alleen het windrecht maar ook het recht van molendwang. Boeren in het gebied waarvoor dit recht gold, waren verplicht hun granen te laten malen in deze molen. In 1640 klaagde de Harmelense molenaar Jan Pietersz. van Hardenberch bij de Staten van Utrecht dat Gerrit Stevens Sweeren zijn koren in een andere molen liet malen. In de Franse tijd werden windrecht en molendwang afgeschaft. In 1862 werd de nieuwe korenmolen “De Verwachting” in gebruik genomen. Rond 1930 raakte de molen in verval, tot alleen nog de romp bleef staan. Deze brandde in 1983 af. Op de molen-werf is nu de fa Van Eck gevestigd.

Na de bocht, nog voor de brug, voegt zich de Bijleveld bij de Oude Rijn.
Aan de zuidzijde passeren wij de plaats waar, ter hoogte van de Bernhardlaan het kasteel Batestein heeft gelegen. Het kasteel werd voor het eerst vermeld in1403. Het kasteel werd in 1733 verkocht aan Eva Clotterbooke, de tweede echtgenote van de Leidse professor Pieter Burman, die eerder met zijn eerste vrouw op het kasteel Santhorst in Wassenaar woonde. Pieter Burman en zijn vrouw Eva werden begraven in de dorpskerk van Harmelen. In de westzijde is de grafsteen goed zichtbaar ingemetseld. In 1807 werd het kasteel verkocht aan de Woerdense baljuw Jan Meulman. Na zijn overlijden liet hij Batestein met schulden belast achter. De volgende eigenaren lieten het kasteel in 1849 grotendeels slopen. In de vorige eeuw verdwenen ook de laatste resten.
Wat verder op passeren wij de Haanwijkersluis, die in 1656 is aangelegd. Deze vormde de scheiding tussen de polders Haanwijk en Bijleveld. Daarvoor, in 1413, was hier al een dam in de Oude Rijn gelegd om het water uit de polder Bijleveld te kunnen keren. De sluis werd in 1672, bekend als het “Rampjaar”, door de Fransen verwoest maar weer opgebouwd. In de loop der tijd is de Haanwijkersluis meerdere malen verbouwd en herbouwd. De huidige staat dateert uit het begin van de vorige eeuw. In 1991 werden enkele van de beide dubbele sluisdeuren vervangen.

waardevolle bebouwing

Harmelerwaard 3 ***M

Deze dwarshuisboerderij dateert in oorsprong mogelijk uit de zeventiende eeuw. De boerderij heet “De Koepel” omdat bij de boerderij een theekoepel hoorde die aan de Rijn stond.

Harmelerwaard 5 **

Rond 1882 bouwde Pieter Cornelis Kruijff uit Arnhem hier een kleine arbeiderswoning. In 1904 werd de woning verbouwd en uitgebreid tot de huidige langhuisboerderij.

Harmelerwaard 8 **

Deze langhuisboerderij “Speijks Vrucht” werd in 1913 gebouwd in opdracht van landbouwer Pieter Baelde uit Vleuten naar ontwerp van de Harmelenaar H. van ’t Wout

Harmelerwaard 10 **

Deze langhuisboerderij uit 1916 toont verwantschap met de drie jaar oudere boerderij op nr 8.

Harmelerwaard 12 ***M

De kern van deze langhuisboerderij dateert mogelijk uit de zeventiende eeuw.

Harmelerwaard 21 ***M

De boerderij “’t Groene Woud” ligt dwars op de Harmelerwaard, omdat het pand is gebouwd aan een verbindingsweg tussen de Leidsche Rijn en de Dorpeldijk. Van de zeventiende eeuwse dwarshuis boerderij resteert alleen het rietgedekte voorhuis.

Utrechtsestraatweg 4-4a **

Het oorspronkelijke huis uit 1839 was eigendom van bakker Joseph van Groeningen die woonde aan de Dorpsstraat 42. Na enkele verkopen werd het gebouwtje in 1905 gesloopt en werd de huidige langhuisboerderij gebouwd. Deze is opgesplitst in twee woningen. De boerderij heeft in de gevel een bijzonder serliana venster, met ingezwenkte top.

Utrechtsestraatweg 5 ***M

De herenboerderij draagt de naam “Mariënberg” en dateert uit 1830. Bouwheer was Bernardus Lenssinck, wethouder van Harmelen, belastingzetter en armmeester van de katholieke kerk. Oorspronkelijk was Mariënberg een pachtboerderij.

Utrechtsestratweg 6 *

In 1924 werd deze boerderij ontworpen door de Woerdense bouwkundige P.G.Karsdorp voor de gebroeders Van der Wind uit Woerden, die de boerderij verhuurden.

Utrechtsestraatweg 8-9 *

In oorsprong ging het hier om een rijtje van vier armenwoningen van de Diaconie van de Nederduitsch Hervormde Gemeente van Harmelen. In 1863 schonk Cornelia van Beusechem de grond en in hetzelfde jaar werd met de bouw begonnen. Inmiddels zijn de vier woningen verbouwd tot twee. De ingangen liggen aan de achterzijde. Het complexje draagt de naam “Knorrenburg”.

Utrechtsestraatweg 15 **

Even als de boerderij aan de Utrechtsestraatweg 39 is deze boerderij ontworpen door aannemer A.J. van den Bovenkamp in opdracht van J.W.Wesseling. Het bouwjaar is 1924.

Utrechtsestraatweg 17 ***

De boerderij “Rijnlust” dateert uit 1877/1878 en is gebouwd op de plaats van een oudere voorganger, in opdracht van Harmen van Rossum, landbouwer uit Vleuten ten behoeve van zijn dochter.

Utrechtsestraatweg 35 **M

Rietgedekte langhuisboerderij uit het eind van de negentiende eeuw.

Utrechtsestraatweg 39 **

Deze dwarshuisboerderij is in 1923/1924 gebouwd naar ontwerp van architect A.J. van den Bovenkamp uit De Meern. De achter gelegen stallen dateren uit 1970.

Dorpsstraat 29 **

In 1909 gebouwde middenstandswoning met rechthoekige plattegrond en afgeplat schilddak. De gevel is rijk voorzien van baksteenornamentiek. In 1991 is ter rechterzijde een aanbouw gerealiseerd.

Dorpsstraat 30 *G

In oorsprong mogelijk achttiende eeuws pand, waarin eens een koffiehuis was gevestigd. Bijzondere gevel met houten kroonlijst. De gevelindeling op de eerste verdieping is nog in de oorspronkelijk staat.

Dorpsstraat 32-34 ***M

Voormalige gemeentehuis, dat in deze vorm uit de periode 1775-1800 dateert. Bestaat feitelijk uit twee naast elkaar gelegen panden. Werd op 24 maart 1868 voor fl. 8.200 aangekocht door de gemeente.In de vijftiger jaren van de 20e eeuw verbouwd. Het pand bleef gemeentehuis tot 1977. In de tuin staat een 110 jaar oude en 14 meter hoge Ginkgo biloba. Deze staat sinds 1986 ingeschreven in het bestand van monumentale bomen van de Bomenstichting.

Dorpsstraat 35 **G

Huis Landzigt werd in 1866 gebouwd voor de Amsterdamse kantonrechter J.Tulleken als rentenierswoning met koetshuis. Het rechthoekige huis is ligt wat van de straat af en is gedekt met een mansarde kap. Het koetshuis ligt aan de straat. Het perceel wordt afgesloten met een uit 1920 daterend hekwerk.

Dorpsstraat 36 **

Dit voormalige notarishuis dateert uit rond 1800. De voorgevel is rond 1940 opnieuw opgetrokken. Kenmerkend is de brede garage deur met een rondboog bovenlicht. De achtergevel is origineel. Bewoner was ondermeer notaris De Greef, die in nr 38 kantoor hield.

Dorpsstraat 38-40 ***M

Het pand “Dorpswelvaren” dateert mogelijk uit de zeventiende eeuw. Dit gaaf bewaarde pand dankt zijn naam “Dorpswelvaren” aan de periode tot de vijftiger jaren uit de vorige eeuw, toen in het pand het dorpscafé was gevestigd.

Dorpsstraat 42 ***G

Deze voormalige bakkerij komt al voor op de kadastrale kaart van 1832, maar is waarschijnlijk veel ouder. Mogelijk betreft het hier een zeventiende eeuws pand dat later aan de linker zijde is aangebouwd.

Dorpsstraat 81 ***G

Ook in de pand was in 1822 in ieder geval een bakkerij gevestigd. Deze werd in dat jaar verkocht voor fl. 1.400. Het pand dateert waarschijnlijk uit het einde van de achttiende eeuw. Achter dit huis lag de eerste katholieke kerk van Harmelen na de reformatie.

Jaagpad 5-6 **G

Dit langwerpige pand dateert uit de achttiende eeuw. Van 1857 tot 1980 woonde hier de familie Van Osnabrugge, bouwer van veel huizen in Harmelen.

rond de loop van de Bijleveld

Zoals eerder beschreven zocht de Rijn in het begin van onze jaartelling zijn weg via de Oude Rijn, die zich kronkelde via Alendorp en Vleuten, langs het kasteel Den Ham. Met een grote boog verenigde de Oude Rijn zich weer met de Leidsche Rijn, aan de noordzijde van de brug in de Dorpsstraat. Het laatste stuk van de Oude Rijn, vanaf de scherpe, meest noordelijke bocht, wordt de Bijleveld genoemd. Via deze waterloop werd het water uit de polder Bijleveld dat door de Molenvliet en de Zandwetering werd aangevoerd, naar de Amstel geleid. Deze situatie ontstond eerst na 1413, toen een overeenkomst tussen het hoogheemraadschap Amstelland en de polder Bijleveld het graven van een 17 km lang kanaal van af de oorspronkelijke Bijleveld tot aan Nessersluis mogelijk maakte. Daarvóór waterde de polder Bijleveld nog af op de Hollandsche IJssel en via de Heycop op de Vecht.

Door de natuurlijke verplaatsing van de loop van de Oude Rijn, tussen Utrecht en Harmelen, ligt ten oosten van Harmelen een één tot twee kilometer brede gordel met oeverwallen en beddingen. In de Harmelerwaard en de polder Oudeland en Indijk zijn de rivierafzettingen het duidelijkst te zien. Op de oeverwallen lagen de boerderijen met de bijbehorende akkers. Op één van deze brede oeverwallen ligt het gebied dat wij kennen als het Oude Land.
De oudste bodemvondsten, die in de Harmelerwaard op bewoning wijzen, stammen uit het Neolithicum, dus uit de periode tussen 4000 en 1800 v.Chr.. Onderzoek heeft uitgewezen dat ook in de Harmelerwaard nog een deel van de limesweg in de bodem aanwezig is. Ten zuiden van de Dorpeldijk ligt een gebied dat de status van “archeologisch attentiegebied” heeft.
Aan de Appellaan, gelegen in de polder Oudeland en Indijk, zijn in de tuin van huisnummer 1 bodemvondsten gedaan die dateren van de achtste eeuw tot aan de middeleeuwen. Het zou hierbij kunnen gaan om een nederzetting die op de oever van de Bijleveld heeft gelegen. Het terrein heeft de status van archeologisch attentiegebied.

Hier vinden wij ook Huize Harmelen, dat in een oorkonde van 21 december 1296 voor het eerst wordt vermeld. Bij het huis behoorden toen 43 morgen ( ca 36,5 ha.) land, gelegen in de Harmelerwaard. De eerste bekende eigenaar van het kasteel was Everard van Stouten-burg die samen met Hendrik van Hermalen het gerecht Bijleveld deelde. De Van Hermalens stammen vermoedelijk af van het geslacht Van Woerden. In het begin van de veertiende eeuw komen kasteel en land in handen van Dirk van Zuylen. In 1451 werden de Van Zuylen’s ook eigenaar van het kasteel Batenstein dat aan de Oude Rijn, nabij de huidige Bernhardlaan lag. Kasteel Harmelen en de bijbehorende 43 morgen werden in 1348 leenroerig aan de abdij St. Paulus in Utrecht. De Harmelerwaard behoorde toen al een eeuw tot het rechtsgebied van het kapittel van Oudmunster, eveneens in Utrecht. Op 14 juli 1482 werd kasteel Harmelen door de Hollanders geplunderd en deels verwoest. Pas in 1535 was het huis weer volledig herbouwd. In 1536 werd kasteel Harmelen door de Staten van Utrecht als ridderhofstad erkend. In het rampjaar 1672 plunderden de Fransen het kasteel en staken het vervolgens in brand. De laatste ambachtsheer van Harmelen was Mr Adriaan de Joncheere, die op 26 augustus 1854 heer van Harmelen, Haanwijk, Bijleveld, Harmelerwaard en Indijk werd. Hij woonde echter zelf niet op het kasteel, maar in villa Jenny, die heeft gestaan op de plaats van de huidige pastorie van de St. Bavo-kerk.
In de 20e euw is het huis verschillende keren herbouwd, zoals kort na 1920, toen de uitgever van het Utrechts Nieuwsblad, J.W.H. de Liefde op de oude fundamenten een chalet vormig huis bouwde. In 1937 verleende de Rijksdienst voor de Monumentenzorg vergunning om dit huis weer te mogen afbreken. J.Matser, een sloper uit Hilversum kocht in 1943 de overblijfselen, maar wilde ook de fundering slopen. Hier tegen maakte monumentenzorg bezwaar. De restanten van het huis met de grond werden nu gekocht door de van Java teruggekeerde M.A.E.van Baak, die hier een fruitbedrijf wilde beginnen en de kelders als fruitopslag wilde gebruiken. Bij onderzoek bleek toen dat in de kelders muurwerk aanwezig was uit de 13e eeuw. In 1949 werd op de keldergewelven een woonhuis gebouwd in historiserende stijl naar ontwerp van de architecten D.Verheus uit Den Haag en H.E.Schulte uit Utrecht. Er werd bij de bouw gebruik gemaakt van stenen uit de fundering van het Huis te Nesse in Linschoten, dat eveneens eigendom was van M.A.E.van Baak.
Bij het kasteel hoort een duiventoren, die vermoedelijk dateert uit de achttiende eeuw. In 1951 is deze toren gerestaureerd, waarna in 1998 nogmaals een grondige restauratie plaats vond.

Sinds 2005 hoort bij huize Harmelen ook een in neogotische stijl opgetrokken tuinhuis ’t Spijck. Dit tuinhuis, dat van belang is vanwege zijn architectuur en cultuurhistorische waarde, zou vóór 1850 zijn gebouwd. Na het overlijden van Adriaan de Joncheere in 1913 is het gehele landgoed in delen verkocht. De heer C. Roodenburg sr., eigenaar van de nabijgelegen boerderij ’t Spijck, kocht het tuinhuis en liet het bij zijn boerderij weer opbouwen. In de loop van de tijd raakte het in verval. De nazaten van de heer Roodenburg sr. wilden echter tuinhuis ’t Spijck behouden en richtten hiertoe een stichting op. Met particuliere steun en een subsidie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg kon het tuinhuis terug keren naar het kasteel, waar het met medewerking van de provincie werd gerestaureerd. Op 10 november 2005 werd het tuinhuis weer in gebruik genomen.

Verder van de rivierbedding verwijderd lagen de veenmoerassen, die alleen zomers gebruikt konden worden om het vee te weiden.
De percelen op de oeverwallen van de Bijleveld hadden een heel ander formaat dan die van de copen in de ontginningsgebieden. De percelen langs de Bijleveld zijn onregelmatig en blokvormig. Duidelijk is dit te zien in de polder Oudeland en Indijk.

waardevolle bebouwing

Ambachtsheerelaan 1 **

Oorspronkelijk onderwijzerswoning, behorende bij de St.Bavoschool, in 1949 opgetrokken in de stijl van de Delftse school. In 1956 uitgebreid door architect W.Dijkman uit Zeist.

Ambachtsheerelaan 2 *** M

St. Bavo kerk. In 1916 gebouwd naar ontwerp van architect Jan Stuyt. Deze werkte aanvankelijk op het bureau van Pierre Cuypers, samen met Jos Cuypers. Was tot 1900 ook betrokken bij de restauratie van kasteel De Haar. Aanbesteding vond plaats op 18 april 1916 in : “het wapen van Harmelen” voor fl.81.554, door aannemer fa Gebr. Koenders uit Enschede. Bouwpastoor was Van der Waarden. De preekstoel en het Maarschalkerweerd-orgel uit 1840 zijn afkomstig uit de oude kerk, thans kapel van huize Gaza. De kerk werd inwendig in 1967 en voor het laatst in 1992 verbouwd.

De Joncheerelaan 7 ***M

Deze voormalige pastorie, die behoort bij de St. Bavokerk, is evenals de kerk, ontworpen door Jan Stuyt en doet thans dienst als parochiecentrum. Het bouwjaar is 1916.
Dit pand is gebouwd op de plaats waar Villa Jenny heeft gestaan, het woonhuis van de laatste ambachtsheer van Harmelen, Mr Adriaan de Joncheere.

De Joncheerelaan ***M

Duiventoren behorende bij Huize Harmelen, vermoedelijk gebouwd in de achttiende eeuw. In 1951 gerestaureerd en in 1998 opnieuw gerestaureerd en ontdaan van de stuc-lagen op de steunberen. Eigendom van de Gemeente.

Kasteellaan 1***M

Huize Harmelen. Waarschijnlijk als woontoren gebouwd tussen 1270 en 1280. In 1482 belegerd en daarna geruïneerd. Restauratie werd in 1535 voltooid. Op de kelders na kort na 1913 gesloopt. In de twintigerjaren werd op de restanten een chalet gebouwd. In 1949-1950 werd in historiserende stijl een huis gebouwd op de oude onderbouw.

Op 10 november werd 2005 het tuinhuis “’t Spijck” weer in gebruik genomen. Het tuinhuis zou vóór 1850 op het terrein van huize Harmelen zijn gebouwd en is daar, na een omzwerving, in 2005 teruggekeerd. Ook het tuinhuis is aangewezen als Rijksmonument.

Gerverscop is één van de mooiste voorbeelden van een gave cope-ontginning. De beeldkwaliteit van Geverscop wordt met name bepaald door de hoge mate van gaafheid en de zeldzaamheid van de structuur en de architectuur van zijn beelddragers. De weg Gerverscop, of eigenlijk de daar langs lopende wetering, vormde de ontginningsbasis en de Hollandse kade was de achtergrens. De keurige copen van 1250 meter diep en 155 meter breed tekenen zich gaaf af. De boerderijen liggen aan de kop, dus aan de westzijde van de weg Gerverscop.

Het water in de polder werd afgevoerd door de kavelsloten, die alle op de wetering uitkomen. Via de Molenvliet werd het water naar de Gerverscopper molen geleid, die het water naar de hoger gelegen Voorvliet pompte. Daarna werd het water naar de Oude Rijn afgevoerd.

De Gerverscopper molen wordt voor het eerst genoemd in 1503, in een schouwbrief. Tijdens het voor Harmelen wel erg rampzalige “Rampjaar” 1672 werd de molen door de Fransen in brand gestoken. Het jaar daarop werd al gewerkt aan de wederopbouw. De kosten hiervan werden opgeslagen over de eigenaren gebruikers van de 422,5 morgen ( ca 375 ha.) die de polder telde.

Aan het eind van de negentiende eeuw werd de houten molen vervangen door een stenen exemplaar. Kort na 1900 stemden de ingelanden van Gerverscop in met de bouw van een stoomgemaal. In 1907 werd de molen verkocht voor afbraak.

De gerechten Gerverscop, Breudijk, Gerverscop Staten en Gerverscop Uit den Ham vormden samen de gemeente Gerverscop. Deze gerechten waren op 1 januari 1842 eigendom geworden van de burgemeesters en wethouders van Delft.

In 1843 werden in Gervescop 23 huizen geteld, waarin 160 mensen woonden, verdeeld over 25 huishoudens. Gerverscop had geen eigen school of kerk, men was hiervoor aan gewezen op Harmelen.

Gerverscop liep vroeger door tot aan de Breudijk. In 1855 werd de spoorlijn Utrecht/ Rotterdam door de Nederlandsche Rhijnspoorwegmaatschappij ( de NRS) in gebruik genomen, waardoor Gerverscop in tweeën werd gesneden. In 1869 volgde nog de verbindings tak tussen Harmelen en Breukelen, eveneens geëxploiteerd door de NRS. Hierdoor werd de Wildveldseweg afgesneden tot een doodlopende weg.

Gerverscop is aangewezen als Belvedere-gebied, waardoor het reeds enige bescherming geniet.

waardevolle bebouwing

Geverscop 5 ***M

In 1907 werd het electrische gemaal met de bijbehorende machinisten woning gebouwd naar ontwerp van E.G.Wentink. De centrifugaalpomp werd geleverd door het Utrechtse bedrijf Pannevis en zoon ( de latere NV Machinefabriek Hoogenlande). De rode kruispannen zijn gelegd in een decoratief patroon en het metselwerk wordt gesierd met banden en ruitmotieven.

Gerverscop 9 ***G

Op deze plaats stond een boerderij die sinds 1817 tot de goederen van de Ridderlijke Duitse Orde te Utrecht behoorde. In 1898 werd deze langhuisboerderij als vervanger gebouwd voor zijn vervallen voorganger. Architect was E.G.Wentink uit Schalkwijk, die wij ook als architect van het gemaal tegen kwamen. De oorspronkelijke naam luidde “Het Duitsche Huis” maar in 1939 is de naam gewijzigd in “Baron van Wassenaar- Hoeve”. Een gevelsteen met de letters R.D.O. ( Ridderlijke Duitse Orde) herinnert nog aan opdrachtgevers. De rietgedekte boerderij heeft in de gevel een serliaans venster.

Gerverscop 13-13a ***G

Het woonhuis van deze dwarshuisboerderij dateert uit 1865, het achterhuis werd gebouwd in 1871. De opkamer deed vroeger dienst voor het houden van de raadsvergadering van het gerecht Gerverscop. De Oestgeester dakpannen op het voorhuis zijn voor deze streek heel bijzonder.

Gerverscop 17 ***

Pieter Rijnsburger liet in 1888 deze langhuisboerderij bouwen op de plaats van een oudere voorganger, waarvan het zomerhuis aan de rechterzijde nog aanwezig is. In 1928 is tegen de linker zijkant een aanbouw geplaatst. De boerderij is nog steeds in handen van de oorspronkelijke familie.

Gerverscop 27 ***G

Deze langhuisboerderij is in de negentiende eeuw voorzien van nieuwe gevels. Het pand is rietgedekt en heeft een groot serliaans venster in de voorgevel.

Gerverscop 31-31a-31b ***

In 1910 is deze grote boerderij gebouwd in opdracht van Johan Wijnand Herman de Liefde, uitgever te Utrecht, die wij ook kennen als eigenaar van Huize Harmelen. Tot 1970 is het pand als boerderij in gebruik geweest, daarna is de boerderij verbouwd tot woning van meerdere gezinnen. Het woonhuis van de boerderij is wat betreft vorm en omvang ongebruikelijk.

Gerverscop 33***

Van deze dwarshuisboerderij is bekend dat het zomerhuis omstreeks 1910 is gebouwd. Het voorhuis heeft een met pannen gedekt zadeldak.

Wildveldseweg

Parallel aan de Gerverscop loopt de Wildveldseweg. Deze weg gaf oorspronkelijk toegang tot het gemaal Bijleveld ( thans Wildveldseweg 17). Na de ruilverkaveling in de zestiger jaren van de vorige eeuw, werden de individuele spoorweg overgangen in de toegangswegen voor de boerderijen aan de Wildveldseweg vanaf de Breudijk afgesloten. Om deze boerderijen toch bereikbaar te maken is de Wildveldseweg verlengd, maar de weg loopt dood op de noordtak van de spoorlijn. Eén pand is als “beeldbepalend” opgenomen in de MIP-inventarisatie.

Wildveldseweg 1 ***

De eerste steen van deze dwarshuisboerderij is op 12 mei 1898 gelegd door de toen 92 jaar oude J.van Woudenberg. De goot van het dwarshuis rust op bewerkte houten schoren, waartussen tegeltjes zijn opgenomen.

De Breudijk loopt vanaf de Putkop in de richting van kasteel de Haar en is één van de oudste doorgaande landwegen in het Groene Hart. De Breudijk, in 1842 aangeduid als een “kantonale zandweg”, is van oorsprong een agrarisch bebouwingslint, aangelegd ten noorden van de oeverwal van de Oude Rijn. Deze stroomrug vormde de noordelijke grens van het Romeinse Rijk.

In de middeleeuwen is de polder Breudijk ontgonnen door de noordwaartse strokenverkaveling. Aan de zuidzijde van de stroomrug is klei en zand afgegraven, waardoor vijvers ontstonden. De Breudijk was aan de noordwestzijde en aan de zuidzijde sterk bebost. Ter hoogte van de vijvers zijn de bossen behouden (Vijverbos).

De agrarische bebouwing bestaat uit karakteristieke langhuisboerderijen met rieten wolfkap of met een met pannen of riet gedekt zadeldak. Een uitzondering hierop vormt de aan de zuidzijde gesitueerde krukhuisboerderij uit de 17e en vroeg 18e eeuw en een vroeg 19e eeuwse dwarshuisboerderij. Veel van deze boerderijen zijn rijks- of gemeentelijk monument. Opvallend is het ontbreken van zowel grootschalige, moderne bijgebouwen als traditionele bijgebouwen zoals boenhok en zomerhuis.

Het zijn met name de infrastructurele ingrepen als spoorweg, spoorwegverbreding en de weinig gave staat van de (zuid)westzijde van Breudijk, die sterk afbreuk doen aan de beeldkwaliteit. De cultuurhistorische gebouwen, waaronder drie rijksmonumenten, spelen een belangrijke rol in de positieve ervaring van het beeld.

In 1997 is ter hoogte van nr 48 een herinneringsgrenspaal geplaatst, in het kader van het Romeinenjaar.

waardevolle bebouwing

Breudijk 22 ***M

Deze L-vormige boerderij dateert mogelijk uit de zeventiende eeuw. In de witgepleisterde voorgevel voorzien van muurankers, bevindt zich de voordeur, die slechts bij huwelijken of begrafenissen werd gebruikt.

Breudijk 25-25a **M

Deze rietgedekte langhuisboerderij zou zijn gebouwd in 1784. In 1964 heeft een verbouwing plaats gevonden, waarbij het zomerhuis werd vervangen door nieuwbouw. De voorgevel is voorzien van muurankers en vlechtingen.

Breudijk 27 **G

Deze rietgedekte langhuisboerderij Elisabeth Woutrina is vernoemd naar de gezusters Elisabeth en Woutrina van Haaften. De familie Van Haaften was eerst pachter van de boerderij Haanwijk 1, die de naam Woutrina Elisabeth droeg. In 1971 heeft door tussenkomst van de toenmalige gemeente Harmelen een ruiling plaats gevonden tussen beide boerderijen. De Elisabeth Woutrina hoeve, die is gebouwd in 1873 en oorspronkelijk Louisehoeve heette, is in de zeventiger jaren getroffen door een zware storm, waardoor de achtergevel vernieuwd diende te worden.

Breudijk 29 **G

Deze rietgedekte boerderij zou volgens de muurankers uit 1642 dateren, doch de ankers zijn niet aan de balken verankerd, zodat deze later aangebracht kunnen zijn. De zijgevels zijn in de loop der tijd vernieuwd. De boerderij draagt de naam “Johanna Hoeve”.

Breudijk 31 **

Deze langhuisboerderij is gebouwd in 1933, naar ontwerp van de Harmelense bouwkundige Petrus Johannes Gasse, nadat een brand de oude boerderij in de as had gelegd. Eigenaar van deze boerderij “Broekhuysen” was de Haagse Jhr Mr. E.F.M.J.Michiels van Verduijnen en pachter was toen W.C. Verhoeff, wiens zoon Bernard als 6 jarige in oktober 1933 de eerste steen legde voor de nieuwe boerderij. Voor een tante van de pachter werd aan de Lange Linschoten in Snelrewaard een zelfde boerderij gebouwd.

Breudijk 33 **

De eerste steen voor deze langhuisboerderij werd gelegd op 22 september 1914 door de pastoor van Harmelen: de RK Kerk van Harmelen was de opdrachtgever van deze bouw. In de linker zijgevel is een gevelsteen ingemetseld met de wapens van de families Van der Does en Glimmer(s). De boerderij is zowel in- als uitwendig verschillende keren verbouwd.

Breudijk 41 **

De rietgedekte langhuisboerderij “Ons Genoegen”dateert uit 1893, als vervanger van een boerderij die wat meer naar de weg was gelegen. Het zomerhuis dateert van vóór 1893. In- en uitwendig is de boerderij zijn later gewijzigd. Ook de dakkapellen zijn niet oorspronkelijk.

Breudijk 45 **

In 1895/1896 werd deze langhuisboerderij herbouwd in opdracht van Mr. Gerard Johan Verloren van Themaat uit Utrecht. De banden op de gevel en sluitstenen boven de venster bestaan uit pleisterwerk. In 1925 is het pand verbouwd.

Breudijk 47-49 **

Deze rietgedekte langhuisboerderij dateert uit het einde va de negentiende eeuw en draagt de naam “Nieuwlust”. De bakstenen schuur dateert van rond 1910. Ook de 2e verdieping heeft in de gevel nog een klein rond venster. De rechter zijgevel is in de loop van de tijd gewijzigd.

Breudijk 51-51a ***M

Deze dwarsboerderij, genaamd “Landzicht” komt al in 1832 op de kadastrale kaart voor. De eigenaresse woonde toen in Gerverscop. De oude kern van deze boerderij kan dateren uit de zeventiende eeuw. In 1962 is de indeling gewijzigd voor dubbele bewoning.

Omstreeks 1680 kwam in Woerden de dakpannen, bakstenen en tichelindustrie tot ontwikkeling. Er ontstond grote behoefte aan klei. In de brede oeverwallen van de Oude Rijn was deze grondstof bij uitstek voor handen. De commandeurij gaf in 1717 toestemming om vier morgen van haar bouwland “te ontgraven, om de pan-, steen- en tichelaarde daaruyt te doen haalen”.

Na deze afgraving onstond een woestenij van onregelmatig, te diep afgevlet, land met zandgaten. Het was gebruikelijk dat de tichelgaten afgedekt werden en dat er bomen op verrezen. Decennia later moest zo’n bos wijken, aangezien de bodem dan voldoende ingeklinkt was om te gebruiken als cultuurgrond. Dit bos in Harmelen werd echter niet gekapt. Het gebied lag buiten de dijken en was niet goed bruikbaar vanwege de hoge waterstand. Zo ontstond in 1759 het Harmelense Vijverbos.

In de negentiende eeuw was het in gebruik als lust- en jachtplaats van Huize Harmelen.Toen is ook aan het bos meer vorm gegeven. Het werd een park in de Engelse landschapsstijl met slingerende paadjes, natuurlijk ogende waterpartijen met bochtige oevers en eilandjes met boom groepen. Opmerkelijk is het contrast tussen de ronde vormen van de vijver en de rechtlijnige contouren van de vletsloten en singels. Later is er tijdens de aanleg van de spoorweg zand gebaggerd met als resultaat, dat de waterplas aan de westzijde van het Vijverbos op vele plaatsen wel 5 meter diep is.

In 1913 werd Huize Harmelen met bijbehorende gronden in het openbaar verkocht. Het Vijverbos werd gekocht door jonkheer Boreel de Mauregnault te Alfen.

Hij liet het huis ,dat op een eilandje in het Vijverbos ligt, bouwen. Sindsdien wisselde het Vijverbos enige malen van eigenaar en kwam tenslotte in het bezit van de gemeente Harmelen. In 1952 verkocht de gemeente het Vijverbos aan Het Utrechts Landschap. Het is nu beschermd natuurgebied.

De noordzijde grenst aan een uitgestrekt, open weidegebied. In het zuiden en oosten bevinden zich boomgaarden en een glastuinbouwgebied. Het Vijverbos, 23 hectare groot, bestaat voor een groot deel uit essenhakhout en waterpartijen. De sloten tonen het verkavelingspatroon dat dateert uit de ontginningsperiode.

Door de grote afwisseling tussen open en dicht alsmede nat en droog, komen er talrijke planten en dierensoorten voor. Vele vogels profiteren van de opgaande begroeiing zoals tuinfluiter, fitis, winterkoning en boompieper. De moerassige vegetatie is in trek bij kleine en grote karekiet, rietgors en bos(riet)zanger en de vijver bij fuut, waterhoen, roerdomp en ijsvogel. Ook voor zoogdieren zoals ree en konijn, biedt het hakhout ideale dekking. Kleine roofdieren, egel, wezel, hermelijn en bunzing, vinden hun prooi in en om het Vijverbos. Vooral langs de vijver staan monumentale bomen zoals wilgen, platanen en eiken.

Verder groeien er vele planten en bloemen zoals gele lis, dotterbloem, waterlelie, speenkruid en bosanemoon.

Op het terrein is een wandelroute van ca. 1,5 kilometer uitgezet. De wandelroute is tevens geschikt voor rolstoelgebruikers.

waardevolle bebouwing

Breudijk 48 **

Villa Jagtlust, ook wel Villa Vijverbosch genoemd, is in 1921/1922 gebouwd naar ontwerp van architect A.H.Wegerif uit Apeldoorn in opdracht van Jhr J.A. Boreel de Mauregnault uit Utrecht. Bij het huis hoort een gepotdekselde schuur met rieten kap.

De polder Haanwijk ligt ten westen van Harmelen aan de zuidkant van de Oude Rijn. Haanwijk wordt in het westen begrensd door de Haanwijksche Molenvliet. Dit is een oude watergang, die al voor de tijd van de cope-ontginning bestond. Aan de oostzijde wordt Haanwijk begrensd door de Hollandse Kade.

De jurisdictie over Haanwijk wisselde in het verleden nog al. Tot de vijftiende eeuw behoorde het meest tijds bij Holland en daarna meestal bij het Sticht. Afwisselend was dan ook de Haanwijkse Molenvliet en de Hollandse kade de grens tussen Holland en het Sticht.

Aan de zuidzijde van Haanwijk loopt de Rijerscopse wetering, die tijdens de cope-ontginning is ontstaan.

De polder Haanwijk is in de elfde eeuw ontstaan door de systematische cope-ontginning, uitgevaardigd door de Bisschop van Utrecht. De Oude Rijn ten westen van Harmelen werd als basis gebruikt voor het invoeren van de ontginningsblokken van Haanwijk. De vaste kavellengte van 1250 meter werd verkregen door het graven van de afsluitende achterkade, de Rijercopse wetering.

De Hollandse Kade en de al bestaande Haanwijksche Molenvliet vormen de zij-kades van de scheiding van Haanwijk als afwaterings gebied.
Ten zuiden van Haanwijk bleef tussen polder Cattenbroek en de polder Haanwijk nog een driehonderd meter reststrook over; dit wordt een blokland genoemd. Dit blokland is onregelmatig ontgonnen. Een deel hiervan is gevoegd bij Haanwijk.

De kommen konden na de cope-ontginningen in gebruik worden genomen, omdat men de waterstanden enigszins kon beheersen.

In de middeleeuwen stond er een tijdlang een poldermolen aan de Haanwijkse wetering, niet ver vanaf de Oude Rijn. Omstreeks 1900 werd op deze plaats een Amerikaanse windmolen gebouwd. Alle poldermolens en ook de twee Amerikaanse windmolens in de gemeente Woerden zijn in de loop van de tijd verdwenen.
In Haanwijk is tijdens de ontginning een agrarisch bebouwingslint ontstaan, gesitueerd op de zuidelijke, smalle oeverwal, oorspronkelijk een stroomrug van de rivier de Oude Rijn. Deze stroomrug vormde eeuwenlang de enige begaanbare weg in de polder, omdat de kommen vaak blank stonden.

Deze weg is Haanwijk genoemd, naar de achterliggende polder. Tussen de Oude Rijn en de weg Haanwijk lag het jaagpad dat van ca 1670 tot rond 1930 als zodanig in gebruik is geweest. Dit jaagpad is op sommige plaatsen nog goed zichtbaar.

De gronden worden voornamelijk als weilanden gebruikt.
Het gehele patroon van Haanwijk is geheel volgens de oorspronkelijke vroeg middeleeuwse cope-ontginning intakt gebleven.

De Oude Rijn langs Haanwijk vormde waarschijnlijk een deel van de Limesweg tussen 50 en 400 na Christus. Door de natte klei- en veengrond is het aannemelijk dat in Haanwijk nog veel restanten van de limesweg aanwezig zijn. Hierdoor is Haanwijk archeologisch en cultuur-historisch een interessant gebied.

Hollandse Kade en natuurgebied De Kievit

De Hollandse kade loopt naar de voormalige daglonerhuisjes), nu tezamen met het omliggende terrein “De Kievit” genoemd. De Hollandse Kade was de vroegere scheiding tussen het Groot-Waterschap Woerden en het Groot-Waterschap Bijleveld en Meerndijk.

De daglonerhuisjes “De Kievit” zijn gebouwd in 1862. Oorspronkelijk stonden er vier huisjes op het terrein. De Oude Rijn ligt hier op ongeveer 300 meter afstand. Tijdens de oorlog 1940-1945 vond inundatie van de polder Haanwijk plaats waarna één van de huisjes wegens instorting moest worden gesloopt.

De bewoners werkten als landarbeiders bij boeren in de omgeving. Zij kregen per dag betaald en werden daarom daggelders genoemd. Omdat er alleen in de zomer voldoende werk was en het inkomen laag, leefden deze mensen onder armoedige omstandigheden. De meeste bewoners vertrokken rond 1930 naar een woning met water, gas en licht in het dorp. De laatste bewoner vertrok in 1978.

Stichting De Kievit heeft in 1992 een natuurterrein van ca. 1,5 ha aangelegd in het weiland achter de huisjes. Dit heeft geleid tot moestuinvakken, kruidenvakken, bijenvakken, boerenhofblommen, en ‘recycling van materiaal’. Er is ook een poel gecreëerd om de amfibieën uit de omgeving een plekje te bieden om te kunnen overleven.

In 1998 zijn de daggelderwoningen gerenoveerd en ingericht voor natuur- en milieueducatie en historisch centrum.

In 2001 is een tweede natuurplas aangelegd. Deze natuurplas zal vooral van waarde zijn voor watervogels. Er zullen zich meer soorten vestigen die in een natte (moeras) biotoop thuishoren bijvoorbeeld kale jonker, ratelaar en rietorchis. Het eiland in de natuurplas zal een gevarieerde moerasvegetatie kunnen opleveren.
Sinds 2003 is het terrein van de Kievit met de daglonerhuisjes eigendom van Het Utrechtse Landschap. Stichting De Kievit en andere instellingen verzorgen activiteiten, zoals open dagen, educatieve bijeenkomsten, excursies van scholen, etc.

In de toekomst maakt een half verhard wandelpad een rondwandeling langs het natuurterrein en de Kievit mogelijk.

waardevolle bebouwing

Haanwijk 1 ***M

Langhuisboerderij “Anna Petronella Hoeve” met rietgedekt zadeldak en een zomerhuis is naar oorspronkelijke toestand herbouwd nadat de boerderij en het bijbehorende zomerhuis in 1977 geheel uitbrandden. De boerderij behoorde in oorsprong tot kasteel Batestein en was later in opdracht van Johannes Hermanus Lensinck (1840-1898) herbouwd.

Haanwijk 15 ***G

Herenboerderij “Eikenstein” dateert oorspronkelijk uit 1882 en is in 1896 voorzien van een nieuw voorhuis met neorenaissance-motieven. Opdrachtgever was familie Van Weede. Deze boerderij heeft een T-vormige plattegrond en bewaart inwendig diverse fraaie ornamenten.

Haanwijk 17 ***G

Deze rietgedekte langhuisboerderij is omstreeks 1860-1880 gebouwd in opdracht van D.J. van der Neut. In 1954 werd een nieuwe hooiberg opgetrokken.

Haanwijk 23 ’t Klaverblad

Kaasboerderij ’t Klaverblad heeft een rijke historie van kaasmakers. De pekelbakken en opslagkamer van oudsher zijn veranderd in rijpingskamers en momenteel wordt er weer/nog steeds kaas gemaakt. Kaasboerderij ’t Klaverblad heeft geen monumentale waarde, maar wordt hier vermeld vanwege het oude ambacht dat nog steeds wordt gecontinueerd.

Haanwijk 31 ***M

Dwarshuisboerderij “Noordborgh” stamt vermoedelijk uit de zeventiende eeuw. De opeenvolgende eigenaren zijn vanaf 1683 bekend. De eerste burgemeester van Harmelen, Gerrit Nicolaas Buddingh, woonde in het begin van de negentiende eeuw op “Noordborgh”.
Het gehele complex bestaat uit herenhuis, boerderij, tuinmanswoning, bedrijfsgebouwen etc. met tuin, boomgaard en landerijen.

Reijerscop is een cope-ontginning, die met de polder Bijleveld één geheel vormde. Zoals eerder beschreven was de Reijerscopse wetering de achtergrens van de ontginning van Bijleveld en vormde deze tevens de ontginningsbasis voor de polder Reijerscop. De Oude Wetering vormde de achtergrens, op twaalfhonderdvijftig meter van de Reijerscopse wetering. De Oude Wetering vormt de grens met de polders Mastwijk en Achthoven.

Meestal hebben de ontginningsweteringen een redelijk recht verloop. De Reijerscopse wetering kent echter een merkwaardige bocht. Bij de daarbij gelegen boerderij liggen enkele zeer onregelmatig gevormde percelen. Het vermoeden bestaat dat deze percelen toe behoorde aan de Commanderij van de Johanniterorde in Harmelen.

De huidige polder Reijerscop bestond in begin van de negentiende eeuw uit enkele kleinere polders en behoorde, met de polders Bijleveld, Achthoven, Mastwijk en Harmelerwaard tot het in 1413 opgerichte “Grootwaterschep Bijleveld en de Meerndijk”.

Rond 1843 stonden er in de voormalige heerlijkheid Reijerscop-Creuningen ca 22 huizen en boerderijen waarin zo’n 150 mensen woonden. Zij beschikten niet over een eigen school en kerkten in Harmelen.

De polder Reijerscop wordt in het Beleidsplan Natuur en Landschap van de provincie Utrecht op macro-niveau als aardrijkskundig waardevol aangewezen. Hij maakt deel uit van het stelsel van stroomruggen ten oosten van Montfoort, afgezet door verschillende rivieren die hun loop steeds verlegden.

Reijerscop is een Belvedere-gebied, waar door het een zekere mate van bescherming geniet. Gezien het feit dat de ontginnings richting van dit cope-gebied van de Reijerscopse wetering af ligt, is de bebouwing aan de zuidzijde van de weg Reijerscop gesitueerd.

waardevolle bebouwing

Reijerscop 6 ***M

Langhuisboerderij is waarschijnlijk aan het eind van de achttiende eeuw gebouwd. In 1913 verbouwd in 1960 voorzien van een nieuwe rechter zijgevel.

Reijerscop 10 *

Deze langhuisboerderij draag de raadselachtige naam “Deo Juvantum”. De eerste steen is gelegd op 24 maart 1887. Het stalgedeelte dateert uit 1960.

Reijerscop 11 **M

De langhuisboerderij “Johan’s Hoeve” dateert waarschijnlijk uit de zeventiende eeuw. In 1832 is Hermann van de Wall Bake, muntmeester te Utrecht de eigenaar. De achtergevel is in rond 1950 vernieuwd.

Reijerscop 12 **

De langhuisboerderij “Mijn Genoegen” werd omstreeks 1890 gebouwd. De schuur dateert eveneens uit de negentiende eeuw.

Reijerscop 16 **G

Deze boerderij dateert oorspronkelijk waarschijnlijk uit de achttiende eeuw. Het achterhuis is in de tweede helft van negentiende eeuw opnieuw opgetrokken.

Reijerscop 26 ***M

Hoewel in 1832 al een boerderij op deze plaats staat, dateert de huidige boerderij waarschijnlijk uit de periode 1840-1860. Het betreft hier een langhuisboerderij met een ingezwenkte lijstgevel aan de straatkant. In de deuromlijsting bevinden zich twee houten consoles met engelenkopjes.

Reijerscop 27 **

Op de plaats van een oudere voorganger is in 1885 deze boerderij gebouwd. De windveer is fraai gesneden. In de gevel is een serliaans venster opgenomen.

Reijerscop 28 ***G

De langhuisboerderij draagt de naam “Landlust”. Mogelijk is deze boerderij gebouwd in de zeventiende eeuw, maar in de negentiende eeuw is zij gemoderniseerd. Het zomerhuis is mogelijk ouder.

Reijerscop 32 **

De eerste steen van deze langhuisboerderij is gelegd op 1 september 1881. Het huis is rietgedekt en heeft een serliaans venster in de voorgevel.

Reijerscop 35 ***

Wanneer deze langhuisboerderij is gebouwd is onbekend, maar waarschijnlijk in het midden van de negentiende eeuw is de boerderij verbreed tot 12 meter!.

Reijerscop 36 **M

Deze langhuisboerderij dateert uit het einde van de achttiende eeuw. Enkele jaren geleden is de boerderij gerestaureerd. Zij draagt de naam “Linquenda”.

De polder Bijleveld is een cope-gebied. De Leidsche Rijn vormde bij deze ontginning de ontginningsbasis. De Reijerscopse wetering vormde de achtergrens, maar was tevens weer de ontginningsbasis voor het copen-gebied van het ontginningsblok Reijerscop. De afwatering van Bijleveld vond, zoals eerder geschreven, plaats via noord-zuid lopende wateringen, de Hellevliet, de Molenvliet, de Kerkwetering (naast de huidige Kerkweg) en de Wipmolenvliet ( ook wel Dammolenvliet genoemd). Deze vier weteringen, waren onderling met elkaar verbonden door de Middelwetering, die verspringend van vliet naar vliet, parallel liep aan de Leidsche Rijn.

Eerder zagen wij al dat, toen in 1366 de polders van Harmelen en Bijleveld uit het Grootwaterschap Woerden waren getreden, zij niet meer op de Oude Rijn mochten afwateren. Daarom werd in de Oude Rijn de Heldam gelegd, die er voor zorgde dat het water uit de genoemde wateringen via de Heycop naar de Vecht werd afgevoerd.

De Molenvliet voerde het water de naar de Middelmolen en later naar het gemaal De Adriaan. De Middelmolen ( ook wel Middelste Molen genoemd) was een achtkantige molen die zeker van 1755 tot 1873 op deze plaats heeft gestaan. Diens voorganger uit 1609 heeft waarschijnlijk ook op dezelfde plaats gestaan. In 1873 werd op deze plaats het stoomgemaal De Adriaan gebouwd, die in 1926 door een elektrisch gemaal is vervangen. De Molenvliet is tevens het begin van de waterloop De Bijleveld. De Bijleveld was vroeger bevaarbaar, blijkens de nog tot 1960 functionerende schutsluis bij de Adriaan.

Dit buitengewoon fraaie voorbeeld van een ongerept en intakt gebleven cope-gebied werd wreed verstoord. Want toen in 1934 op initiatief van de Delftse professor A.S. Keverling het Laboratorium voor Grondmechanica Delft werd opgericht, kreeg dit als eerste taak de aanleg van de A12 langs Woerden te realiseren. In 1939 kwam dit wegvak gereed. In 1985 werd dit wegvak verbreed en heringericht. Er zijn nu plannen ( het BRAVO-project-oost) om de weg te verbreden tot 2 x 5 rijbanen. De onderlinge verwantschap van de beide ineen lopende polders Bijleveld en Reijerscop wordt hierdoor geweld aangedaan. De bijzondere kenmerken van de ontginning Bijleveld blijven echter gehandhaafd

Kleinjansbrug

Nieuwe Kleinjansbrug in HarmelenDeze betonnen brug overspant de Leidse Rijn aan de Noordzijde van de spoorlijn Utrecht/Woerden en is in 2002 gebouwd ter vervanging van de brug die vanwege de spoorverdubbeling moest wijken. De gesloopte Kleinjansbrug werd na de 2e wereldoorlog gebouwd en vormde de verbinding tussen Breeveld en de Leidsestraatweg.

Overigens heeft de nieuwe- en de in 2002 gesloopte brug illustere voorgangers gekend. In 1649 is er al sprake van een Cleijn Jans brugge, vanuit die tijd is een bestek en aanbesteding bekend, voor de bouw van een nieuwe brug ter vervanging van een nog oudere brug. Deze vormde toen ook al een verbinding tussen “Brevelt en Geestdorp” voor het bereikbaar maken van een hofstede eigendom van de “coopman Jan Pieterszoon Delft genaemt Rijneveltsdam”. Ook deze brug, die vermoedelijk in het spoortracé aan de zuidzijde van de huidige spoorlijn was gesitueerd, heeft in de 19e eeuw plaats moeten maken en is toen naar de noordzijde verplaatst.

Oude Kleinjansbrug in HarmelenOude Kleinjansbrug in harmelen

Over de oorsprong van de naam van deze brug bestaat geen duidelijkheid.

Putcopbrug

De Putcopbrug in HarmelenIn 2002 heeft de Nederlandse Spoorwegen vanwege de verdubbeling van twee naar vier spoorlijnen een gecombineerd kunstwerk aangelegd. Dit viaduct omvat een onderdoorgang voor fietsers van Breeveld/Haanwijk en Harmelen/Geestdorp vice versa. Een fietsbrug parallel aan de spoorbaan over de Leidse Rijn, een autoweg (onder het spoor) en de waterloop van de Leidse Rijn met een vrije doorvaart (hoogte beperkt) heeft een betere verkeersafwikkeling mogelijk gemaakt.

Hofbrug

De Hofbrug in HarmelenDeze brug is in 2004 over de Leidse Rijn gebouwd en zal te zijner tijd een schakel vormen in de rondweg om het doorgaande verkeer van Harmelen te ontlasten.

De Kwakel

De Kwakelbrug in HarmelenDe kwakel of quakelbrugge is volgens het Middelnederlands handwoordenboek een smal en hoog trapbruggetje.

Het diende vooral om voetgangers zoals schoolkinderen een gemakkelijke overgang van zuid naar noord te geven.De Kwakelbrug in Harmelen

Deze titel is heel toepasselijk voor deze in gewapend beton als een monoliet gebouwde constructie. In 1925 is deze brug door aannemer J.W. Bronwasser uit Breukelen voor een bedrag van ƒ 1.500,00 gebouwd. De brug is in 2001 tot gemeentelijk monument verheven.

Ophaalbrug bij het Pompersplein

De houten ophaalbrug bij het PomperspleinDeze houten ophaalbrug, die in 1984 is gebouwd, wordt voor passerende pleziervaartuigen etc. door de brugwachter bediend. Nadat Harmelen in het 3e kwart van de 20e eeuw aan de zuidzijde behoorlijk werd uitgebreid en de Kwakelbrug niet de meest ideale verbinding vormde heeft het toenmalige gemeentebestuur besloten een nieuwe voetbrug over de rivier aan te leggen.

Door sloop van woningen nabij de Roggemiksteeg is er ruimte voor het realiseren van de brug gekomen en gelijktijdig het Pompersplein ontstaan.

Brug in de Dorpsstraat

De Dorpsbrug in HarmelenDe Dorpsbrug of Steenenbrug (vóór 1900) vormde van oorsprong de verbinding over de Oude Rijn, die eeuwen lang de belangrijkste schakel tussen Utrecht en Woerden. Hij bestond uit een in metselwerk uitgevoerde overkluisde brug met gietijzeren leuningen. In een later stadium is op de beide landhoofden een stalen brug gelegd om het toenemende verkeer het hoofd te kunnen bieden.

In 1980 bleek de brug niet opgewassen tegen vooral de zwaardere voertuigen van 2000kg of meer, derhalve is toen besloten om het brugdek te vervangen.

De oude Dorpsbrug in HarmelenDe oude Dropsbrug in Harmelen

Molenbrug

De Molenbrug in HarmelenRond 1960 is deze ophaalbrug gebouwd ter vervanging van de sluis met brug bij de Heldam.

De Heldam vormde de scheiding tussen de afwateringsgebieden van de waterschappen Bijleveld en Heycop. Deze dam in de Rijn stond aanvankelijk bekend als de Basterddam.

In 1643 gaf het Hoogheemraadschap Amstelland toestemming aan het waterschap Heycop om de Heldam tot sluis te maken. De aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal maakte het in 1959 mogelijk de afvoerrichting van het water van de Bijleveld en Heycop te wijzigen. Dit ging gepaard met de opheffing van de sluis en de daarbij behorende bruggen.

Om de bereikbaarheid van de Harmelerwaard te bevorderen, immers de bewoners van de polder Bijleveld moesten gebruik maken van de Heldambrug of van een vlet die alleen op zon- en feestdagen de verbinding tussen de polder Bijleveld en Harmelen vormde, heeft het bestuur besloten om de Molenbrug te bouwen.

Bronnen:

  • kranten artikelen
  • diverse auteurs van artikelen over de plaatselijke geschiedenis

Gerard C. den Engelsman

Harmelen tuinhuis 't Spijck” In de gemeente Vleuten – De Meern staat op het grondgebied van boerderij ’t Spijck een opmerkelijk tuinhuis. Het is een uniek exemplaar van een tuinhuis in neogotische stijl. Het tuinhuis begint ernstig in verval te raken en dit zeldzame monument van cultuurhistorische en architectonische waarde dreigt verloren te gaan.

Een aantal personen heeft zich dit dreigende lot van het tuinhuis zeer aangetrokken en heeft een plan gesmeed om dit unieke bouwwerkje te redden. Hiervoor is de Stichting tot Behoud van Tuinhuis ’t Spijck opgericht op 10 december 1999 en is het tuinhuis in eigendom verworven met name door de zeer welwillende medewerking van de huidige eigenaren van boerderij ’t Spijck, de heer en mevrouw Voorsluys.”

Zo begon de brochure die de stichting eind 2000 heeft gepubliceerd. Het restaureren van een monument is een zaak van lange adem, waarbij doorzettingsvermogen en verdraagzaamheid voor tegenslagen en hindernissen zijn vereist. Het opstellen van een restauratieplan was de eerste stap. De volgende stap was te bereiken dat het tuinhuis op de lijst van rijksmonumenten zou worden geplaatst (het stond reeds op de monumentenlijst van de voormalige gemeente Vleuten – De Meern).

Dit gebeurde in mei 2001. Daarna moest er natuurlijk geld verworven worden en natuurlijk de nodige vergunningen. Een belangrijke stap was het besluit waar het tuinhuis zou worden herbouwd. Bij de overeenkomst met de voormalige eigenaren was afgesproken dat de stichting het tuinhuis zou verplaatsen. Uiteindelijk kwam het voorstel hrt tuinhuis te plaatsen bij Huize Harmelen. Daar heeft het oorspronkelijk gestaan, nadat het in 1914 door C. Rodenburg bij de boerderij ’t Spijck was geplaatst.

Harmelen tuinhuis 't SpijckHet tuinhuis is herbouwd op een eiland, omgeven door een gracht, naast het kasteel gelegen en zichtbaar vanaf de openbare weg.In een beheersovereenkomst is bepaald dat de Stichting Tuinhuis ’t Spijck eigenaar van het tuinhuis blijft, en dus ook voor het onderhoud verantwoordelijk is, en de stichting Huize Harmelen het beheer en het toezicht voor zijn rekening neemt.

Het tuinhuis ’t Spijck is een bijzonder tuinhuis. Het wit geschilderde gebouwtje is geplaatst op een bakstenen fundament tussen twee monumentale kastanjebomen. Behalve plaats en afmeting is vooral de neogotische bouwstijl van dit tuinprieel opvallend. Het tuinhuis bij ’t Spijck s van algemeen belang vanwege zijn architectuur en cultuurhistorische waarde. Het is een zeldzaam voorbeeld van een houten tuinhuis in neogotische stijl uit de eerste helft van de 19de eeuw. De betekenis ervan blijkt ook uit de uitzonderlijk rijke detaillering en de hoge mate van oorspronkelijkheid. Bijzonder is ook de toegankelijkheid aan de beide lange zijden hetgeen een specifieke plaatsing veronderstelt, zeker in combinatie met de veranda-achtige voorzijde.

Het tuinhuis is voor de architectuurgeschiedenis van ‘follies’ en tuinsieraden belangrijk omdat het een fraai voorbeeld is van stijlzuivere neogotische bouw­kunst. Vooral de voorgevel valt op door zijn geleding van vier turkoois geschil­derde pilasters met gestileerde kapitelen, decoratief opengewerkte houten borst­wering met ruitpatronen en vierpasmotieven, het spitsboogvenster en de twee roosvensters met gekleurd glas. Alles in rijk gedetailleerd houtsnijwerk. Het tuinhuis vertoont zeer duidelijke overeenkomsten met een neogotisch tuinprieel op park Elswout te Overveen. Dit gerestaureerde tuinhuis is echter opval­lend soberder van uitvoering.

Het prieel is ontworpen door de tuinarchitect J.D. Zocher jr. Deze architect haalde zijn ontwerpvoorbeelden rechtstreeks uit Britse boeken. In het tekeningenarchief van Zocher zijn vele voorbeelden in neogoti­sche bouwstijl te vinden.

Harmelen tuinhuis 't SpijckHoewel de neogotiek in de 19e eeuw algemeen werd toegepast zijn er van deze tuinsieraden zeer weinig overgebleven. Vooral in de 20e eeuw is er veel gesloopt. Van J.D.Zocher jr. zijn er nog enkele follies aanwezig, al dan niet in hun land­schappelijke omgeving zoals bij

Overgenomen uit de brochure: Tuinhuis ’t Spijck, Restauratie van een monument.
Gepubliceerd ter gelegenheid van de onthulling van het tuinhuis ’t Spijck, Huize Harmelen, 10 november 2005
Uitgave van de Stichting tot behoud van Tuinhuis ’t Spijck.

Zie ook www.tuinhuis-spijck.nl

Een monument voor Cor van Bemmel

Op maandag 4 mei 2015 is bij de Hervormde kerk in Harmelen een bijzonder monument onthuld. Het is een monument voor deze in Harmelen geboren en getogen verzetsheld Cor van Bemmel, die enkele dagen voor het einde van de oorlog in Assen is doorgeschoten. In 1948 werd hem postuum de Militaire Willems-Orde toegekend.

De onthulling vond plaats onder aanwezigheid van ruim 300 belangstellenden, waaronder familie van Cor van Bemmel en van de familie De Ruiter, in wiens huis het laatst gastvrijheid genoot, door majoor Marco Kroon, dragen van de Militaire Willems-Orde en burgemeester Victor Molkenboer.

Over Cor van Bemmel

Door publicaties rondom 4 mei 2014 is er meer bekendheid ontstaan over de in Harmelen geboren en getogen verzetsstrijder Cor van Bemmel. Dat Cor van Bemmel een zeer belangrijke taak heeft gehad gedurende de oorlog, blijkt wel uit het feit dat hij één van de drie verzets­strijders van Bureau Inlichtingen is die is onderscheiden met de Mlitaire Willemsorde. Deze werd hem op 30 augustus 1948 postuum toegekend. Bij zijn herbe­gra­ving op het Harme­lense kerk­hof was o.a. naast heel veel Neder­landse hoog­waar­digheidsbe­kleders ook Koningin Wilhelmina vertegenwoordigd.

Als wachtmeester zat Cor van Bemmel bij de huzaren in de buurt van Arnhem. Toen de oorlog uitbrak werden de huzaren onmiddellijk in stelling gebracht bij de Grebbeberg. Na de capitulatie is Cor in het najaar van 1940 ondergedoken in de Betuwe en was hij zeer actief in de verzetsgroep van de huzaren. Zo hebben zij in Soesterberg het vliegveld in brand gestoken. Duitse granaten, bedoeld voor Engeland, werden daar tot ontploffing gebracht.

Ondertussen was Van Bemmel bekend bij de S.D., de Sicherheitsdienst, die dan ook naar hem op zoek was. Cor wilde graag naar Engeland om zich daar bij de Nederlandse bureaus te melden.

In 1942-43 vertrok Cor naar Zwitserland. Vandaar vervulde hij diverse opdrachten waarvoor hij regelmatig de Franse grens moest oversteken. Hij is o.a. gegrepen in Parijs door de Sicherheits Dienst, maar wist te ontsnappen. Later is hij weer gepakt en heeft in een vluchtelingenkamp in Zwitserland gezeten. Eindelijk kwam zijn kans. Via Spanje en Portugal wist hij met veel moeite Engeland te bereiken Daar werd hij bij koningin Wilhelmina uitgenodigd. Bij het Bureau Inlichtingen heeft hij o.a. een opleiding tot marconist en parachu­tist gekregen. Cor werd toegevoegd aan de geheime agenten van de ‘Packard’ groep. In de nacht van 5 op 6 oktober 1944 werd Van Bemmel samen met een maat gedropt bij Orvel­te in Drente. Ook 15 containers met muni­tie en wapens en een mand met twee zenders werden er gedropt. Zij werden opgewacht door de knokploeg Assen.

Met een auto van het Rode Kruis bracht Dr. Boudoin, hoofd van het Assense verzet, beide agenten naar Groningen. Daar ontmoetten ze hun chef Karel Mans (Vuurtoren), in Londen bekend onder de naam ‘Burns’. Na enige tijd werd Van Bemmel teruggestuurd naar Assen, waar hij onder de codenaam ‘IJsberg’, bij Dr.Boudoin een zendpost moest gaan inrich­ten. Ondanks dat het huis van Dr. Boudoin bekend stond als een ‘broeinest’ van het verzet, heeft Van Bemmel hier drie weken lang gewoond en ook geseind, maar al snel werd hij uitge­peild, hij moest vertrekken en ook de familie Boudoin verhuis­de noodgedwongen.

Cor van Bemmel is daarna onder de schuilnaam ‘Henk Verhoef’ inge­trokken bij de familie H.de Ruiter aan de Paral­lelstraat 11, pal naast melkfa­briek Acmesa. Het zenden gebeurde pal onder de neus van de S.D. die een post had op minder dan 100 meter afstand. Na vijf maanden kwamen de Duitsers erachter dat ergens in Assen een geheime zender moest zijn en zo is op 21 maart 1945 Van Bemmel uitgepeild. Daarna werd de omgeving met 120 man landwacht en SS-ers met speurhonden afgezet en uitgekamd. De familie De Ruiter zat net te eten, toen zij werden overval­len en allemaal buiten tegen de schuur werden gezet. De overvallers doorzochten het huis van boven naar beneden, maar konden aanvankelijk niets vinden.

Een on-Hollands jas­je verraadde Cor van Bemmel die verstopt zat achter een schrootjeswand. Een van de honden herkende de geur van het jasje bij de schrootjeswand. Cor sprong tevoorschijn en schoot eerst de hond dood en daarna twee Duitsers. Doorzeefd met 22 kogels is hij zwaargewond in elkaar gezakt en naar het Wilhelminazieken­huis in Assen vervoerd. Daar is hij dezelfde dag overle­den. Vader De Ruiter en zijn twee zoons zijn de laatste dag voor de bevrijding, samen met 7 andere gevangenen, aan de rand van het Asser bos door de S.D. gefusil­leerd. Zij behoorden tot de laatste sla­cht­offers van het Drentse verzet. Voor Cor van Bemmel en de familie De Ruiter duurde de oorlog precies drie weken te lang.

Cor van Bemmel was 32 jaar toen hij stierf en werd in Assen begraven. Na de oorlog wilde Bureau Inlichtingen hem op het ere-kerkhof voor verzetsstrijders laten herbegraven. De ouders van Cor van Bemmel wilden liever dat hij in Harmelen zou worden begraven. Sinds 2010 ligt hij nu op het Ereveld in Loenen bij zijn strijdmakkers.

ravage bij de treinramp bij Harmelen in 1962De treinramp bij Harmelen vond plaats op maandag 8 januari 1962 om 9.19 uur nabij het Utrechtse dorp Harmelen gelegen aan de spoorlijn Utrecht – Rotterdam. Bij de botsing tussen twee reizigerstreinen vielen 93 doden en 52 gewonden, waarmee dit de grootste treinramp uit de geschiedenis van de spoorwegen in Nederland is. Het ongeluk werd aangemerkt als nationale ramp. Vrijdag 12 januari 1962 werd als dag van nationale rouw afgekondigd en de Hilversumse radiozenders brachten ook de tussenliggende dagen alleen ernstige muziek en aangepaste programma’s ten gehore.

Hoewel dit ongeluk bekend bleef als de treinramp bij Harmelen, vond het plaats bij de buurtschap De Putkop, op het grondgebied van de toenmalige buurgemeente Kamerik. De doden werden daarom in het overlijdensregister van de gemeente Kamerik bijgeschreven. In 1964 werd De Putkop toegevoegd aan Harmelen.

Betrokken treinen en omstandigheden

Bij het ongeval waren twee treinen betrokken. De eerste was stoptrein 464 (Rotterdam – Gouda – Woerden – Breukelen – Amsterdam). Deze trein vertrok om ± 9.15 uur uit Woerden met naar schatting 180 reizigers aan boord. De trein bestond uit twee treinstellen, in totaal zes rijtuigen (van Mat ’46).

De andere betrokken trein was sneltrein 164 (Leeuwarden – Zwolle – Amersfoort – Utrecht CS – Rotterdam) met circa 900 inzittenden (locomotief 1133 en 11 rijtuigen, voor het merendeel plan E).

Op het moment van de ramp hing er een dichte mist in de polder waar de spoorlijn van Breukelen naar Woerden gelijkvloers aansloot op de lijn van Utrecht naar Gouda. Ten tijde van het ongeluk werden al proeven gedaan met het treinbeïnvloedingssysteem ATB, maar dit was nog niet ingebouwd op het spoor bij Harmelen of in een van de betrokken treinen.

Tijdslijn

9.14:

  • De sneltrein komt niet voorbij in Harmelen Aansluiting wegens 6 minuten vertraging.
  • De treindienstleider stelt voor de stoptrein een rijweg in van Woerden richting Breukelen, want de sneltrein heeft zich nog niet gemeld.

9.18:

  • De stoptrein rijdt het laatste sein voor Harmelen Aansluiting voorbij om daar gelijkvloers de aftakking naar Breukelen te berijden.
  • De sneltrein komt in de buurt van Harmelen Aansluiting en meldt zich automatisch bij de treindienstleider.
  • De sneltrein rijdt met 125 km/u het gele sein voorbij dat op remwegafstand voorafgaat aan het rode sein voor de splitsing. De machinist merkt dit gele sein niet op.

9.19:

  • De machinist van de sneltrein ziet het rode sein, zet een remming in, maar kan niet voorkomen dat hij met 107 km/u vrijwel frontaal in botsing komt met de stoptrein.

Gevolgen

Sneltrein 164

De locomotief wordt bij de botsing naar rechts geworpen en het eerste rijtuig van de stoptrein en de sneltrein schuiven in elkaar. De volgende vier rijtuigen van de sneltrein ontsporen en schampen de stoptrein. De overige zes rijtuigen van de sneltrein blijven in het spoor.

Stoptrein 464

Het eerste rijtuig van het vierdelige treinstel wordt volkomen vernield door het naar binnen schuiven van het sneltreinrijtuig. Het tweede rijtuig wordt aan de zijkant opengereten, het derde rijtuig wordt gemangeld tussen het eerste rijtuig en de rijtuigen van de schampende sneltrein. Het laatste rijtuig van het vierwagenstel en het gehele tweewagenstel blijven (hoewel beschadigd door de snelle stop) in het spoor.

Slachtoffers

91 mensen, onder wie de beide machinisten, kwamen direct om het leven. 54 anderen raakten zwaargewond. Twee van hen overleden later in het ziekenhuis, de laatste pas enkele weken na de botsing. Het totaal aantal dodelijke slachtoffers kwam daarmee op 93.

Nasleep

Onderzoek

Er werd een groot openbaar onderzoek begonnen door de Spoorwegongevallenraad. Ook de nieuwe NX-installatie van de treindienstleiderspost in Woerden werd onderzocht op technische storingen. Men heeft ter plaatse vastgesteld dat het “gemiste” gele sein daadwerkelijk geel licht uitstraalde en het laatste sein voor Harmelen vanaf Utrecht rood licht. De snelheidsmeterband van de locomotief van de sneltrein toonde aan dat de machinist niet is begonnen met remmen na het gele sein. Bij waarneming van het rode sein is hij wel begonnen met remmen, maar zijn snelheid van 125 km/u was te hoog om vóór de wissel, waarover de stoptrein reed, tot stilstand te komen.

Proces

De rechtbank, die onder grote publiciteit deze zaak behandelde, werd uitgebreid met deskundigen op het gebied van de spoorwegtechniek.

Maatregelen

Naar aanleiding van dit ongeval is invoering van de automatische treinbeïnvloeding (ATB) in Nederland versneld: 25 jaar later was het grootste deel van het spoorwegnet voorzien van ATB. Een tweede veiligheidsverhogende maatregel die men sindsdien toepast, is dat seinen die op remwegafstand voor splitsingen, bruggen en andere gevaarpunten buiten stations staan, worden voorafgegaan door reflecterende gele bakens.

In de jaren 90 is bij Harmelen een fly-over gebouwd, waardoor het gelijkvloers kruisen tot het verleden behoort.

Monument

Op 8 januari 2012 werd door Pieter van Vollenhoven een monument onthuld voor de slachtoffers van de ramp, die zich op die dag precies vijftig jaar geleden had voltrokken. Ries van Leeuwen was de coördinator voor het plaatsen van het monument. De organisatie van de onthulling was in handen van het Dorpsplatform Harmelen.

Het monument is een ontwerp van de Kamerikse kunstenaar Taeke de Jong en de steenhouwer was Maurice van Dam uit Woerden. Het ontwerp bestaat uit twee hardstenen platen die scheef ten opzichte van elkaar staan en waarop de 93 namen van de omgekomenen staan. Tussen de platen door is de plek des onheils te zien. Een rode hardstenen sokkel, met daarop een corpus dat de slachtoffers verbeeldt, staat iets voor de platen in het midden.

Op het pas onthulde monument bleken onder meer diverse namen van slachtoffers verkeerd te zijn geschreven, ontstaan doordat de lijst uit een handgeschreven verslag is overgenomen dat destijds na de ramp is opgemaakt. Het monument is daarop aangepast door de kunstenaar met een nieuwe namenlijst.

Bronvermelding:

Wikipedia (https://nl.wikipedia.org/wiki/Treinramp_bij_Harmelen)

Monument voor de verongelukten bij de treinramp in Harmelen

door Prof. Mr Pieter van Vollenhoven onthuld

Ruim 600 genodigden ( voornamelijk nabestaanden, passagiers en hulpverleners) en belangstellenden en de commissaris van de Koningin en burgemeester Hans Schmidt, waren er zondag 8 januari 2012 getuigen van dat mr Pieter van Vollenhoven het monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de treinramp van 8 januari 1962 onthulde. Ed Janson, de voorzitter van het Dorpsplatform Harmelen, gaf in het Wokpaleis aan de Putkop, in het kort weer hoe het monument tot stand is gekomen, waarna een enthousiaste Pieter van Vollenhoven inging op de ontwikkeling van de beveiligingssystemen op het spoor en op de waarde van dit monument voor de nabestaanden. Vervolgens onthulde hij het monument en werd een minuut stilte gehouden.Na terugkomst in het restaurant sprak de heer Van Vollenhoven met nabestaanden, passagiers en hulpverleners, waarbij hij blijk gaf van een grote betrokkenheid.

fouten in namen en gegevens hersteld

De namen en de geboortedata van alle overledenen zijn inmiddels gecontroleerd. De correcte namen en geboortedata zijn op nieuwe graniet platen van 3 cm dik vermeld, waarna deze stenen op 20 maart op de bestaande platen zijn bevestigd. Ed Janson, de voorzitter van Dorpsplatform Harmelen, vindt dit de beste oplossing omdat het oorspronkelijke monument blijft staan en toch alle gegevens juist worden weergegeven. Niet alleen in de lijst van overledenen die door de KLPD was opgesteld, maar ook in enkele overlijdensaktes en in de lijst met geboortedat die door de gemeente Kamerik was opgesteld, bleken fouten te zitten. Het opvragen van geboorteaktes en enig speurwerk via diverse begraafplaatsen en nabellen van familieleden, levert een monument op waarop de gegevens voor 99,99% juist zijn, aldus de voorzitter. Steenhouwer Van Dam heet een QR-markering aangebracht op het monument waardoor met een smartphone de hele geschiedenis en foto’s van de ramp kunnen worden opgeroepen.

Plaatsing van het monument ter nagedachtenis van de treinramp in HarmelenPlaatsing van het monument ter nagedachtenis van de treinramp in HarmelenPlaatsing van het monument ter nagedachtenis van de treinramp in Harmelen

Film beschikbaar

Tijdens de onthulling van het monument lieten wij een film zien van ca 18 minuten over de treinramp. De is nu beschikbaar voor gedesinteresseerde.

Wie geïnteresseerd is in de dvd met daarop de uitzending van RTV-Utrecht, die via Maxx is uitgezonden, kan deze verkrijgen via : harmelen@rtvutrecht.nl !!

Het boek over de treinramp

Vorig jaar zijn bij het Regionaal Historisch archief diapositieven opgedoken die tijdens de bereddingsakties door de KLPD zijn gemaakt. Dit en ander fotomateriaal is, met een beschrijving van de ramp, gebundeld tot een herinneringsboek. Het boek is inmiddels gereed en ligt van af 11 oktober in de winkel. Er wordt ingegaan op de vraag hoe het ongeval kon ontstaan, wat er aan vooraf ging, de problemen bij de beredding en de berging en wat er van het ongeval is geleerd. Een verslag van een treinpassagier , van de zoon van de voormalige burgemeester van Kamerik, binnen wiens gemeente het ongeval feitelijk plaats vond en de herinnering van een beredder completeren het geheel. Het boek is verkrijgbaar in Harmelen bij Servicestation Eskes en de boekhandels Van Rooijen en Primera. In Woerden is het boek te koop bij Bruna Goethart in de Voorstraat en boekhandel Karssen. Boekhandel Karssen in Bodegraven wil het boek ook, tegen een geringe vergoeding , verzenden. Landelijk is het boek bij iedere boekhandel verkrijgbaar.

Ed Janson

voorzitter Dorpsplatform Harmelen